Jonas Witsen - Testament

Home / Bronnen / Jonas Witsen - Testament    |    Terug
Jonas Witsen - Testament
   
   
 
 
 
 
 
Transcriptie
Item aen mijn getrouwe Jonge Trawatte sijnen vrijheijt en verlossinge van alle slavernijen daar en boven Twee hondert guldens jaars tot sijn onderhout soolang mijne plantagien op Su- riname door Vijanden of andere Ongelucken buijten Vercoop in Weesen blijven. Dog Ingevallen mijne hier naargenoemde Erfgenaam of Erfge- name te raade wier de mijn plantagien op Suriname te Vercoopen sullen zij gehouden sijn dese Tarrawatte mede voor sijn jaarlijcx onder- hout van Twee hondert guldens te voldoen of uijttecoopen.

In 1699 overleed Johan van Scharphuijsen. Hij was van 1689-1696 gouverneur van de kolonie Suriname, waar hij de eigenaar was van plantages Vrientsburgh, Waterlant en Palmeniribo. Van Scharphuijsen had een uitgebreid testament opgesteld waarin al zijn bezittingen met de bijbehorende erfgenamen stond beschreven. Hij benoemde zijn nichtje Elisabeth Basseliers tot universeel erfgenaam. Zij erfde de plantages Waterlant en Palmeniribo en zou later van haar vader Johannes Basseliers de plantage Surimonbo erven.

In zijn testament verschaft Van Scharphuijsen privileges aan sommige slaafgemaakten van zijn plantages. Zo schonk hij zijn vertrouweling Tarwatte, die hij had meegenomen naar Amsterdam om daar voor hem te werken, zijn vrijheid van alle slavernij. Daarnaast moesten Van Scharphuijsen’s erfgenamen in zijn onderhoud voorzien door hem elk jaar tweehonderd gulden te betalen. Hoewel Tarwatte na de dood van zijn eigenaar vrij was verklaard blijkt uit het begraafregister, daar wordt hij Karwatte van Ornak genoemd, dat hij tot aan zijn dood in het huis van Jonas Witsen is blijven wonen.

Opvallend is dat Van Scharphuijsen in zijn testament ook opnam de eerdergenoemde slaafgemaakten op Suriname niet als, zoals hij het beschreef, ‘ordinaire slaafgemaakten gestraft, gebonden of gegeseld mochten worden’. Zij moesten gestraft worden als vrije arbeidende christenen. Waarom Van Scharphuijsen deze regel alleen voor enkele slaafgemaakten en niet voor iedereen op zijn plantages instelde is niet duidelijk.

Wat wel voor alle slaafgemaakten gold was dat zij niet meer dan vijf dagen in de week hoefden te werken. Hiermee kregen de slaafgemaakten op zijn plantages een bevoorrechte positie ten opzichte van andere slaafgemaakten. De latere eigenaar Jonas Witsen schafte als plantagehouder deze regel meteen af, waarna de slaafgemaakten in 1707 op Palmeniribo in opstand kwamen.

Klik linksboven op het icoontje met het brilletje om de letterlijke transcriptie te lezen van dit document.

Collectie: 5075-3377; Archief van de Notarissen
Nummer: A34140000439
Link: https://archief.amsterdam/inventarissen/scans/5075/140.2.5/start/430/limit/10/highlight/9
  Onderdeel van thema's
Trefwoorden

Geschiedenislokaal Amsterdam

Jonas Witsen - Testament

Tijdvak: De tijd van regenten en vorsten (1600-1700)


Omschrijving

In 1699 overleed Johan van Scharphuijsen. Hij was van 1689-1696 gouverneur van de kolonie Suriname, waar hij de eigenaar was van plantages Vrientsburgh, Waterlant en Palmeniribo. Van Scharphuijsen had een uitgebreid testament opgesteld waarin al zijn bezittingen met de bijbehorende erfgenamen stond beschreven. Hij benoemde zijn nichtje Elisabeth Basseliers tot universeel erfgenaam. Zij erfde de plantages Waterlant en Palmeniribo en zou later van haar vader Johannes Basseliers de plantage Surimonbo erven.

In zijn testament verschaft Van Scharphuijsen privileges aan sommige slaafgemaakten van zijn plantages. Zo schonk hij zijn vertrouweling Tarwatte, die hij had meegenomen naar Amsterdam om daar voor hem te werken, zijn vrijheid van alle slavernij. Daarnaast moesten Van Scharphuijsen’s erfgenamen in zijn onderhoud voorzien door hem elk jaar tweehonderd gulden te betalen. Hoewel Tarwatte na de dood van zijn eigenaar vrij was verklaard blijkt uit het begraafregister, daar wordt hij Karwatte van Ornak genoemd, dat hij tot aan zijn dood in het huis van Jonas Witsen is blijven wonen.

Opvallend is dat Van Scharphuijsen in zijn testament ook opnam de eerdergenoemde slaafgemaakten op Suriname niet als, zoals hij het beschreef, ‘ordinaire slaafgemaakten gestraft, gebonden of gegeseld mochten worden’. Zij moesten gestraft worden als vrije arbeidende christenen. Waarom Van Scharphuijsen deze regel alleen voor enkele slaafgemaakten en niet voor iedereen op zijn plantages instelde is niet duidelijk.

Wat wel voor alle slaafgemaakten gold was dat zij niet meer dan vijf dagen in de week hoefden te werken. Hiermee kregen de slaafgemaakten op zijn plantages een bevoorrechte positie ten opzichte van andere slaafgemaakten. De latere eigenaar Jonas Witsen schafte als plantagehouder deze regel meteen af, waarna de slaafgemaakten in 1707 op Palmeniribo in opstand kwamen.

Klik linksboven op het icoontje met het brilletje om de letterlijke transcriptie te lezen van dit document.

Collectie: 5075-3377; Archief van de Notarissen
Nummer: A34140000439
Link: https://archief.amsterdam/inventarissen/scans/5075/140.2.5/start/430/limit/10/highlight/9

Trefwoorden

plantage
slavernij